

Komen overspronghandelingen ook bij de mens voor?
En ook hier zijn een spreker voor een zaal, een nieuwslezer, een quizmaster of een geïnterviewde op de televisie geschikte waarnemingsobjecten. Overspronghandelingen zijn namelijk ook bij ons het duidelijkst waar te nemen bij conflicterende motivaties van toenadering (zijn werk willen doen) en vlucht (de situatie verlaten). Daarbij kunnen naast de eerder beschreven ambivalente handelingen ook totaal irrelevante overspronghandelingen verschijnen.
De spreker is wellicht erg zenuwachtig; hij wil zowel spreken als vluchten. Daardoor zal hij kort achter zijn oor krabben, ondanks het feit dat het er niet jeukt. Of hij zal zijn bril rechtzetten terwijl die helemaal niet scheef staat.
Dat het hier niet om functioneel krabben gaat - dat het niet echt jeukt - kunnen we afleiden uit het feit dat oversprongkrabben in het algemeen op dezelfde plaats voorkomt (achter het oor, in de baard, naast de neus) en steeds met dezelfde intensiteit en duur. Elk individu heeft zijn eigen plekje voor oversprongkrabben en wijkt hier amper van af. Als gekrabd zou worden om jeuk te verdrijven, dan zou zowel de plaats, de intensiteit als de duur bepaald worden door de wisselende aard van de jeuk.
Je hoeft geen geslepen gedragsbioloog te zijn om zulk overspronggedrag te constateren. Wie langdurig en vaak dezelfde persoon observeert - probeer de televisie eens uit als proefterrein - zal vlug vaststellen dat die figuur steeds op dezelfde manier en op dezelfde plaats aan oversprongkrabben doet. Men zal ook vrij vlug de context kunnen achterhalen die tot de oversprong heeft geleid. Zo doen zich in het begin van lezing of interview meer conflicten voor dan aan het einde, wanneer men zich meer op zijn gemak voelt. Ook wanneer een vraag moet worden beantwoord die tot enig ongemak kan leiden – te persoonlijk, te compromitterend enz. – zien we overspronghandelingen … zie verder p. 118
<< terug
|