

Bestaat er ook zo een spermacompetitie bij de mens?
Een duidelijke, uitwendig waarneembare vorm van de spermacompetitie is de hoeveelheid zaad die wordt uitgestoten bij een ejaculatie. Als je zaadcellen gemengd worden met die van concurrenten, doe je er goed aan je eigen deel op te voeren, dus zo veel mogelijk zaadcellen in te zetten. Dat houdt weer in dat je zo veel mogelijk zaadcellen moet aanmaken. En daarvoor heb je weer grote teelballen nodig. Ter illustratie bekijken we de teelballen van onze neven: de orang-oetan, de gorilla en de chimpansee. Deze mensapen verschillen in hun gedrag op een punt dat voor ons verhaal interessant is. Orang-oetans leven solitair, een ontmoeting tussen een man en vrouw is occasioneel en de kans dat een vrouw meervoudig paart, is dus heel klein. Gorilla's leven in familiegroepen die worden gedomineerd door de zilverrugman: de baas van de groep, die zijn naam dankt aan zijn grijzige rug. Alleen hij paart met de vrouwen, die dus ook weinig kans hebben op meervoudig paren.
Chimpansees leven in grotere groepen. Ook hier heerst een dominant dier en als dat een mannetje is, dan eist ook hij alle bevruchtingen voor zich op. Maar daar slaagt hij lang niet altijd in. Ondergeschikte mannen kunnen met een list en/of hulp van andere mannen, ook wel eens een wijfje bevruchten. De chimpanseevrouw ontvangt dus zaad van meerdere mannen. Dit verschil in paargedrag tussen mensapen is uitwendig zichtbaar. De orang-oetan en de gorilla hebben kleine teelballen, de chimpansee heeft in verhouding zeer grote teelballen. Deze grootte is dus niet meer of minder dan een wapen in de oorlog van het zaad. En de mens? Die zit zowat tussen de gorilla en de chimpansee in. Dat betekent dat de mens lichamelijk niet gebouwd is voor monogamie. Zijn lichaam verraadt dat hij al sinds het Moederland rekening houdt met de reële kans dat zijn partner door een of meer mannen is geïnsemineerd, dus dat hij rekening houdt met de kans op meervoudig paren … zie verder p. 132
<< terug
|