

Hoofdstuk 12
Feminisme en evolutietheorie. Over gender, wetenschap en ideologie
Griet Vandermassen, Johan Braeckman en Marysa Demoor
Tussen feminisme en evolutiebiologie heeft het nooit echt geboterd. Nogal wat feministen beschuldigen evolutiebiologen van seksisme, genetisch determinisme, slechte wetenschap en rechtvaardiging van het patriarchaat. Evolutionaire wetenschappers schermen op hun beurt met het argument dat feministische mensbeelden meer ideologisch dan wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dit hoofdstuk stelt dat het conflict om historische redenen begrijpelijk is, maar dat beide partijen elkaar eigenlijk veel te bieden hebben.
Enerzijds is wetenschap een menselijke en dus feilbare onderneming, waardoor bewustzijn van potentiële gendergebonden vooroordelen - en andere bronnen van vooroordelen - in de evolutionaire theorievorming noodzakelijk is. Anderzijds is de wetenschappelijke methodologie de afgelopen eeuw veel verfijnder geworden, onder meer door de inbreng van vrouwelijke wetenschappers. Daardoor weten we nu dat het soort van politiek correct denken dat inhoudt dat je verschillen tussen mensen alleen mag verklaren door omgevingsfactoren zoals opvoeding, socialisatie en discriminatie, niet langer houdbaar is. De moderne evolutietheorie verschaft ons een wetenschappelijk kader van waaruit we de ultieme wortels van (seksueel) verschil kunnen begrijpen. Tegelijk kan een evolutionaire benadering zorgen voor een hoognodige, wetenschappelijk onderbouwde metatheorie van de menselijke natuur in de feministische theorievorming.
<< terug
|