

Hoofdstuk 8
Oorlogvoering: de evolutionaire aspecten
Johan van der Dennen
Doorgaans wordt oorlog als een eenmalige ‘uitvinding’ omschreven, samenhangend met de agrarische revolutie. In dit hoofdstuk pleiten we echter voor de idee van evolutionaire continuïteit, d.w.z. dat er zich een geleidelijke ontwikkeling heeft voorgedaan van vechtpartijen tussen diergroepen, via min of meer gewelddadige conflicten tussen prehistorische groepen mensen, tot aan ‘echte’ oorlogen tussen staten.
In een evolutionaire context waren de centrale problemen: (a) hoe verklaren waarom oorlog alleen voorkomt bij de mensachtigen en de chimpansee, (b) hoe verklaren waarom gewelddadige competitie tussen groepen niet voorkomt bij andere dieren, (c) hoe verklaren waarom het voornamelijk mannen zijn die, zowel bij mensen als chimpansees oorlog voeren. Dit zijn ultieme vragen. Er worden hier ook enkele proximale vragen gesteld. Waarom voeren primitieve volken oorlogen terwijl het resultaat daarvan zo desastreus is dat het nauwelijks de baten lijkt te rechtvaardigen? Waarom vechten mannen in oorlogen? Wat zijn de drijfveren van de individuele krijger of soldaat? 
Oorlog evolueerde als een evolutionaire adaptatie met een richtinggevende kosten/baten berekening. Daarbij is het reproductief succes het enige criterium. Vrouwen en mannen verschillen in de manier waarop zij hun reproductief succes kunnen optimaliseren. Daarom evolueerde oorlog bij zowel chimpansees als mensachtigen als een voortplantingsstrategie met mannelijke coalities. Die coalities hadden tot doel gewelddadige competities tussen groepen te houden om vrouwen en territorium te veroveren.
<< terug
|